Nieuws
Onderneming in financiële moeilijkheden? Bestuurder pas op uw tellen!23-01-2012
De bestuurder van een besloten vennootschap (BV) die in zwaar weer verkeert, bevindt zich vaak in een lastige positie. Aan de ene kant probeert hij vaak “zijn” onderneming van de ondergang te redden en aan de andere kant wordt hij ook nog eens onder druk gezet door de bank en/of crediteuren. Elke crediteur wil natuurlijk zijn vordering voldaan zien, zeker als bekend is dat de onderneming verlieslijdend is of er eventueel een faillissement zit aan te komen.
In dat kader zal een bestuurder vaak een afweging maken welke crediteuren hij wel en welke hij (vooralsnog) niet zal betalen. De bestuurder zal, in het belang van de onderneming, met een reddingsplan komen. Een bestuurder loopt in een dergelijk geval, gelet op de huidige jurisprudentie, over een dunne lijn van wat wel en niet mag: de mogelijkheid dat hij in privé aansprakelijk wordt gesteld, is aanwezig.
In een arrest uit 1998 oordeelde de Hoge Raad al dat een onderneming haar crediteuren niet meer met voorrang boven de anderen mag voldoen op het moment dat een faillissement onafwendbaar is. Mocht er in dit geval geen sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die de selectieve betaling rechtvaardigt, dan levert een dergelijke handeling een persoonlijke onrechtmatige daad op van de bestuurder, mits de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Deze zogenaamde “selectieve (wan)betaling” is door latere jurisprudentie en een recent arrest van de Hoge Raad verder uitgewerkt. Algemeen wordt aangenomen dat er in de “reddingsfase” sprake is van het beginsel van betaalautonomie: het is aan de bestuurder van de onderneming om te bepalen welke (concurrente) schuldeisers worden voldaan. In deze fase kan alleen betalingsonwil, waarbij de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, tot persoonlijke aansprakelijkheid leiden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de bestuurder niet handelt in het belang van de onderneming, maar in zijn eigen belang.
Als duidelijk wordt dat een faillissement onafwendbaar is, zal de bestuurder niet alleen in het belang van de onderneming moeten handelen, maar ook in het belang van de crediteuren. Hij dient daarbij de gelijkheid van schuldeisers in het oog te houden. Wordt de ene schuldeiser bevoordeeld ten opzichte van de andere en is daar geen (wettelijke of contractuele) rechtvaardiging voor, dan zal de bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn.
In het door de Hoge Raad op 26 maart 2010 gewezen arrest, is de hiervoor genoemde betalingsonwil verder genuanceerd. In dit geval had de bestuurder de bank (contractueel) toegezegd, dat de gelden die de onderneming zou verkrijgen van een debiteur, zouden worden aangewend om het krediet af te lossen. Na verkrijging van de gelden heeft de bestuurder de gelden uiteindelijk, in strijd met de nadere overeenkomst met de bank, niet aangewend voor de aflossing van de door de bank aan de onderneming verstrekte kredieten. De bank stelde de bestuurder persoonlijk aansprakelijk.
De Hoge Raad oordeelde dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt viel te maken, doordat hij had bewerkstelligd dat de onderneming haar contractuele verplichting tegenover de bank tot aflossing van de kredieten niet nakwam, terwijl hij wist dat de onderneming niet over andere inkomstenbronnen beschikte en hem duidelijk was of behoorde te zijn dat de onderneming geen verhaal zou bieden. De bestuurder diende de schade van de Bank te vergoeden.
Conclusie:
Indien U dus als bestuurder contractueel toezeggingen doet aan een bank of andere crediteuren om over te gaan tot aflossing en U deze afspraken vervolgens niet nakomt, kunt U onder de hiervoor genoemde voorwaarden (met succes) persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de schade die de betreffende crediteur lijdt.
Mocht U hierover meer informatie wensen, schroomt U dan niet contact op te nemen met ons kantoor, waarbij U kunt vragen naar de heer Mr G.J.M. Volders, dan wel de heer Mr R.H.B. Wortel.


